Agenda

Herdenking Lodewijk De Vocht - Yves Van Handenhove, tenor - Govaart Haché, tenor/bariton - Dries De Crom, bas - Peter Maus, orgel

Datum: 15-10-2017 11:30:00
Details:

Met steun van de Provincie Antwerpen 

Lodewijk De Vocht is een van die onvergetelijke figuren die mede het Antwerpse muziekleven van de eerste helft van de twintigste eeuw hebben bepaald.  Hij was tegelijk verdienstelijk als componist, dirigent en pedagoog.

Hij werd geboren te Antwerpen op 21 september 1887.  Op tienjarige leeftijd werd hij koorknaap in het kathedraalkoor van zijn geboortestad, waar hij een algemene muziekopleiding kreeg van Emiel Wambach en Karel Weymans. Reeds in 1899 werd hij opgenomen in de orkestklas van het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen.  Na zijn studietijd zou De Vocht naar het conservatorium terugkeren, eerst als leraar, later als directeur. Als jongste violist in het orkest van de Koninklijke Maatschappij der Nieuwe Concerten kreeg hij vanaf 1903 de kans om te musiceren onder de grootste dirigenten van die tijd, o.m. Gustav Mahler, Richard Strauβ, Hans Richter, Bruno Walter, Felix Weingartner.  

De Vocht begon al op veertienjarige leeftijd te componeren. In zijn gehele oeuvre neemt de vocale religieuze muziek veruit de belangrijkste plaats in, met o.m. Jaarkrans van Geestelijke Liederen rond den Haard (1909-1935), zeven Latijnse missen, XIV Cantica, Duo Cantus Mariani, Te Deum (1935), talrijke kerstliederen en Psalmen voor Volkszang (1959). Ook zijn profane muziek baadt vaak in een mystieke sfeer. Vermelden we vooral de Lentesymfonie (1919), de Koorsymfonie (1932), Fabelen (1933) en Primavera (1962-1965), naast een groot aantal liederen.  Op het domein van de instrumentale muziek liet De Vocht zich eveneens niet onbetuigd.  In het begin van zijn carrière schreef hij enkele frisse symfonische gedichten, zoals Morgenstemming (1906), In Ballingschap (1914) en Naar hoger Licht (1925).  Later ging hij zich vooral op het concerto toeleggen (vioolconcerto, 1944; celloconcerto, 1955; Landelijk concerto voor blokfluit en snaren, 1957). Tenslotte vernoemen we nog zijn solowerken voor piano en gitaar en zijn kamermuziekwerken.

Naast zijn activiteiten als componist bouwde De Vocht een grote carrière als dirigent uit. In 1912 volgde hij Wambach op als kapelmeester van de kathedraal. In 1915 werd hem het vrouwenkoor van Constance Teichmann en Amanda Schnitzler-Selb toevertrouwd, dat hij even later omvormde tot het gemengd koor Chorale Caecilia waarmee hij spoedig wereldfaam zou verwerven. De definitieve doorbraak kwam in 1921 ter gelegenheid van een Beethovenfestival in Antwerpen, waar De Vocht als 33-jarige dirigent grote successen boekte. In datzelfde jaar nog nam hij het dirigeerstokje over van L. Mortelmans als leider van het orkest van de Nieuwe Concerten.  Dankzij deze Nieuwe Concerten werd Antwerpen van 1921 tot 1936 een belangrijke spil in het Europese muziekleven.  Vanaf 1935 dirigeerde De Vocht eveneens de Antwerpse conservatoriumconcerten. 

Onder De Vocht werd een omvangrijk repertoire uitgevoerd, waaronder de meest moderne werken van Milhaud, Honegger, Stravinsky, Ravel, Schmitt, Respighi e.a.  Daarnaast bracht hij met zijn Chorale Caecilia  meer dan veertig jaar lang de Mattheuspassie. Samen met het orkest van de Nieuwe Concerten zorgde De Vocht vanaf 1940 voor baanbrekende uitvoeringen van Honeggers Jeanne d’Arc au Bûcher, een werk dat hij in de loop der jaren veelvuldig zou uitvoeren in binnen- en buitenland. Op verzoek van Honegger zelf verzorgde hij met zijn Chorale Caecilia voor His Master's Voice een plaatopname die over de hele wereld verspreid werd.

Lodewijk De Vocht overleed op 27 maart 1977 te ’s-Gravenwezel.